Normaal schrijf ik op deze plek over waar het met een beleidsvraagstuk heen moet of over een dossier dat niet helemaal lekker loopt. Maar nu wilde ik graag een dilemma voorleggen. Een onderwerp waar de politiek zijn tanden op stuk kan bijten in de komende periode – en dat geldt zeker voor een nieuw te vormen kabinet.

Met de opzet van het Klimaatakkoord zijn we afgestapt van de route dat de emissies van de industrie via een Europese aanpak worden geregeld. Sinds het Klimaatakkoord geldt namelijk een apart industriedoel voor het reduceren van CO₂-emissies op Nederlands grondgebied. Dat is een onvermijdelijk gevolg van de keuze om een nationale doelstelling te formuleren van 55% CO₂-reductie in 2030 (en een inzet op 60%). En zonder een heleboel megatonnen uit de industrie is die nationale doelstelling eenvoudigweg niet haalbaar.

 

Hoop gepraat

De wijze waarop die industriedoelstelling wordt gehaald, is het resultaat van een hoop gepraat en politiek onderhandelen. Iets met een wortel en een stok. De stok in de vorm van de nationale CO₂- heffing bovenop het ETS, de wortel in de vorm van de SDE++ subsidieregeling. Wat vaak verzwegen wordt, is dat er met deze systematiek ook een forse lastenverzwaring voor de gehele industrie is doorgevoerd, want “het kan toch niet zo zijn dat er alleen maar geld naar de industrie gaat, toch?” Sommige NGO’s schreeuwen moord en brand over de subsidies, maar ‘vergeten’ daarbij structureel te vermelden hoe het zit met de lastenkant.

Let op, nu begint mijn dilemma: de lastenverzwaring die en passant voor de industrie is ingevoerd, begint nu wel heel erg pijn te doen. Zoals bij Nyrstar, dat zichzelf vanwege een enorme stroomrekening gedwongen ziet om de productie te staken. Verschillende Kamerleden maken zich ernstig zorgen over de casus van deze zinkfabrikant. Dat is op zijn zachtst gezegd opvallend. Met het invoeren van de CO₂-heffing en de SDE-systematiek is namelijk ook de zogenaamde Speelveldtoets in het leven geroepen. Dat rapport wordt ieder jaar naar de Kamer gestuurd om de risico’s van weglek inzichtelijk te maken en te voorkomen. De casus van Nyrstar werd al uitgebreid beschreven in de speelveldtoets van 2022 (!). Met name het vervroegd afschaffen van de Indirecte Kostencompensatieregeling IKC wordt genoemd als maatregel met een enorme impact – omdat die regeling in de ons omringende landen nog wél van toepassing is en in ons land dus niet meer. Met als gevolg dat grootverbruikers in het buitenland worden gecompenseerd voor hun stroomkosten en Nederlandse bedrijven niet. Door wat meer aandacht aan de Speelveldtoets te besteden, had de bezorgde Tweede Kamer dit probleem dus al twee jaar geleden kunnen zien aankomen.

De andere kant van de medaille is dat de Nederlandse systematiek ook voor een hoop beweging in de industrie heeft gezorgd. Heb je projecten die kwalificeren voor SDE++, dan zit je gebakken en is er een hoop mogelijk. En de SDE++ is geënt op verschillende technologieën met hekjes en schotten waardoor het risico van overstimulering wordt beperkt. Positieve kanten zijn er dus ook.

 

Naar Kleve

De eerdergenoemde combinatie van wortel, stok en lastenverzwaring was een direct gevolg van de nadrukkelijke wens van NGO’s en politiek om industrie zwaarder te belasten. Als het aan de NGO’s had gelegen, was er een platte heffing ingevoerd. Ik vermoed dat in dat geval de eerdergenoemde Speelveldtoetsen een stuk compacter zouden uitpakken, omdat er ondertussen dan heel wat industrie minder binnen onze landsgrenzen bestond. De vraag is of het klimaat daarmee beter af zou zijn, omdat met het wegvallen van de industrie de vraag niet automatisch wegvalt – en de uitstoot dus ook niet. Het is heel goed mogelijk dat een Nijmeegs bedrijf zijn productie zou verplaatsen naar Kleve, een steenworp over de Duitse grens. Of naar België, of nog waarschijnlijker: naar de VS.

We zien in Nederland dus wat de gevolgen zijn wanneer je je eigen industrie op achterstand zet. Veel van de Nederlandse industrie is zeer energie-intensief en enorm gevoelig voor concurrentie vanuit het buitenland. Dat betekent dat lastenverzwaringen die alleen in Nederland worden doorgevoerd, snel tot verlies van onze concurrentiepositie leiden.

Jammer, want het Europese emissiehandelssysteem ETS gaat er al voor zorgen dat de uitstoot van industrie en energiesector in 2040 naar nul gaat; gegarandeerd en tegen de laagste kosten. Je kunt daar als lidstaat absoluut wat extra’s bovenop zetten, maar de systematiek die we in Nederland hebben opgetuigd heeft niet alleen negatieve gevolgen voor onze concurrentiepositie; hij is ook duur. En dat terwijl ETS dezelfde reductie gaat realiseren tegen lagere kosten. En door de spagaat van het koppelen van wortel, stok en lastenverzwaring (aanvullend nationaal doel, extra nationale CO₂-heffing en SDE++ subsidie), komen individuele bedrijven in de problemen.

Tegelijkertijd is de consequentie van het nationale industriedoel dat er projecten worden gerealiseerd die anders nog niet zouden plaatsvinden. En bij die projecten zien we de enorme complexiteit van de uitvoering. Ik weet het: een platgetreden pad van infrastructuur en vergunningen. Er wordt momenteel door industrie, overheden en uitvoeringsdiensten (en ja ook een enkele NGO) keihard gewerkt om dat op te lossen. Ik vind het een groot pluspunt van de gekozen route dat wij nu tegen deze problemen aanlopen en niet pas over 4 of 5 jaar.

 

In de pas met ETS

Ziedaar mijn dilemma: hoe moet je hier nou verder mee? Het nieuwe kabinet doet er goed aan om de ingezette route met de industrie te blijven vervolgen. Maar op termijn zal het kabinet de Nederlandse klimaatdoelstelling moeten laten aansluiten op de Europese. De Nederlandse heffing en het Nederlandse reductiedoel moeten voor de industrie weer in de pas gaan lopen met het ETS. Dat is eenvoudiger, goedkoper en bovendien gegarandeerd effectief.

Een groot voordeel van die optie in mijn optiek is dat we dan kunnen afstappen van de route waarbij individuele bedrijven hun hand moeten ophouden. Dat blijkt namelijk toch telkens ingewikkeld en lastig uit te leggen, zeker wanneer partijen hun best doen om alleen de subsidiekant van het verhaal uit te lichten. Een nieuw kabinet zou moeten nadenken over op welke manier we het industriedoel en het ETS weer met elkaar in lijn kunnen brengen zonder dat we de voordelen van de ervaringen en de dynamiek van de projecten verliezen. Een logisch moment is 2030, maar het mag ook eerder wat mij betreft.

Eén manier om dat te doen, is om meer aan te sluiten bij de duurzame plannen die de industrie zélf heeft uitgestippeld. Ik weet het, voor sommigen is dat spannend, maar in het geval van raffinaderijen betreft dit bijvoorbeeld de switch naar de productie van hernieuwbare brand- en grondstoffen voor het vergroenen van de scheepvaart, luchtvaart en chemie. Iets wat nou bij uitstek goed bij Nederland past.

Analyses uit de VS laten zien dat van de 128 raffinaderijen er ongeveer de helft kunnen worden omgebouwd of ingezet voor de productie voor hernieuwbare brandstoffen. En dat wordt daar inmiddels gestimuleerd op centraal en federaal niveau. Dit heeft ertoe geleid dat er in 2025 16 raffinaderijen geheel of gedeeltelijk zullen zijn omgebouwd naar de productie hernieuwbare brandstoffen. Nederland is misschien nog wel meer dan de VS geschikt voor een dergelijke ombouwoperatie. Maar dan moeten die investeringen wél deze kant opkomen en daar hebben we een gezonde industrie voor nodig. Sluit dus aan op het eenvoudigere, goedkopere en gegarandeerd werkende ETS, is mijn boodschap. Einde dilemma.

O ja en die speelveldtoetsrapporten? Die zijn echt heel interessant om te lezen.

Meer weten? Neem contact op.

VEMOBIN Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte
van de ontwikkelingen

Meld je aan voor onze nieuwsbrief