De verandering van de naam VNPI in VEMOBIN stond vorig jaar niet op zichzelf. De focus van de Vereniging Energie voor Mobiliteit en Industrie verschoof van fossiele brandstoffen naar ‘duurzame energie in de breedste zin van het woord’. Dat maakte de weg vrij voor nieuwe leden met een verdienmodel dat niet op petrochemie is gebaseerd, zoals de Alcogroup. Managing director Charles-Albert Peers verheugt zich vooral op de constructieve dialoog en samenwerking binnen de vereniging.

Alco Energy Rotterdam en Alco Bio Fuel in Gent zijn de twee belangrijkste productie-eenheden en kenniscentra van de Alcogroup én de groenste en modernste bioraffinaderijen van Europa. “Niet aardolie maar duurzaam geteelde en niet genetisch gemodificeerde maïs van Europese oorsprong is de grondstof waar wij mee werken,” legt Peers uit. “In onze raffinaderijen maken we er jaarlijks 900 miljoen liter brandstof-ethanol en 600.000 ton eiwitrijk veevoer van. Bij de fermentatieprocessen komt 60 MW aan elektriciteit vrij en wordt 500.000 ton CO₂ opgevangen, die in kassen, voedingsmiddelen en industrie worden gebruikt, ter vervanging van CO₂ op fossiele basis.”

Grote speler

De Alcogroup is daarmee een grote speler: omdat er ook bio-ethanol wordt geïmporteerd, is het bedrijf in Europa jaarlijks goed voor de afzet van circa 2 miljard liter. Daarvan belandt 1,2 miljard liter in de brandstoftank van met name personenauto’s, terwijl 0,8 miljard liter wordt afgenomen door de biochemische industrie. “Vanaf het maïsveld tot de distributie van de bio-ethanol en het veevoer, is onze CO₂-uitstoot al sinds 2008 volledig gecertificeerd,” legt Peers uit. “Dankzij de innovatieve afvang en toepassing van CO₂, is de broeikasgasemissie van onze bio-ethanol ongeveer 95 procent lager dan die van benzine. Door het aardgas dat we gebruiken te vervangen door duurzame alternatieven, zoals hernieuwbare elektriciteit, willen we nog voor 2030 klimaatneutraal en CO₂-positief zijn.”

Goede samenwerking

Peers benadrukt dat de Alcogroup geen lid is geworden van VEMOBIN om op termijn de plaats van petrochemische bedrijven in te nemen. “Zij zijn onze klanten. Ze nemen onze ethanol af, om die te mengen met diesel en benzine, bijvoorbeeld tot Euro 95 (E10). Daarin zit 10 procent ethanol. We werken goed samen met petrochemische bedrijven en dat willen we blijven doen. Dat móeten we ook blijven doen, want we moeten samen op zoek naar een duurzame mix van de meest groene, klimaatneutrale brandstoffen. Het is best mogelijk dat daar in 2050 ook nog aardolie in zit.”

Hét alternatief voor fossiele brandstoffen is er nog niet, wil Peers maar zeggen. “In ieder geval niet als ik kijk naar de technieken en producten die momenteel beschikbaar zijn. Met e-fuels, elektriciteit, waterstof en bio-ethanol moet het mogelijk zijn om de doelstellingen van 2030 te halen, maar die van 2050 liggen nog ver buiten ons gezamenlijke bereik. Als we in 2050 nog niet helemaal zonder fossiele brandstoffen kunnen maar al wel CO₂-neutraal zijn, heb ik daar persoonlijk geen moeite mee.”

Groot succes

Dat ook in Nederland zwaar wordt ingezet op elektrisch rijden, kan volgens Peers niet los worden gezien van de focus in veel Europese landen op nieuwe auto’s. “Er zou meer aandacht moeten komen voor het bestaande wagenpark, al was het maar om nog meer sociale ongelijkheid te voorkomen. Lang niet iedereen kan zich immers een Tesla veroorloven.”

Hij wijst in dat verband op de populariteit van E85 in Frankrijk. “Dat is benzine met 85 procent ethanol. Een bestaande auto kan er pas op rijden, als in de motor een elektronische adapter is geïnstalleerd. Dat kost ongeveer 800 euro. Dat E85 desondanks een groot succes is in Frankrijk, komt doordat de duurzame brandstof accijnsvrij is. Euro 95 is daardoor aan de pomp ongeveer twee keer zo duur als E85.”

Unieke kansen

Van alle maïs en tarwe die in Europa wordt geteeld, wordt volgens Peers slechts vier procent omgezet in bio-ethanol en grondstoffen voor de biochemische industrie. “Wat onze productiecapaciteit betreft zitten ook wij nog lang niet aan ons plafond. Ik schat dat het mogelijk moet zijn om maximaal 50 à 60 procent van het bestaande wagenpark te laten rijden op bio-ethanol, een brandstof die perfect in de circulaire economie past. Maar nogmaals: bio-ethanol is niet de enige oplossing. Voor minimaal 40 à 50 procent van het bestaande wagenpark moeten andere groene brandstoffen worden ontwikkeld, als onderdeel van een gezamenlijke strategie om het gebruik van fossiele brandstoffen te minimaliseren.”

Geen vreemde eend in de bijt

Net als op Europees niveau wil de Alcogroup volgens Peers ook in Nederland proactief meedenken en -praten over de unieke kansen die er liggen om een duurzame, groene toekomst te creëren voor oliemaatschappijen. “We willen laten zien dat we als producent van bio-ethanol binnen VEMOBIN geen vreemde eend in de bijt zijn, maar juist niet mogen ontbreken binnen de brancheorganisatie van alle bedrijven die energie voor vervoer en grondstoffen voor de industrie produceren en leveren. En die voor de gezamenlijk opgave staan om dat richting 2050 steeds duurzamer en CO₂-neutraler te doen.”

Als duurzame pionier werkt de Alcogroup daarbij volgens Peers hard aan een nieuwe troef. “We zijn druk bezig om de voorwaarden te scheppen om over een aantal jaren onze eerste e-methanol te produceren. Belangrijke voorwaarde is dat er voldoende hernieuwbare waterstof zal zijn. De andere component, biogene CO₂, is de zuiverste en goedkoopste CO₂ die nu beschikbaar is op de markt.”

Meer weten? Neem contact op.

VEMOBIN Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte
van de ontwikkelingen

Meld je aan voor onze nieuwsbrief